View Een i treurend om een punt
9 juli t/m 14 augustus 2011
Emancipatie van de abstractie, dat zijn de woorden van Paul Drissen zelf om aan te duiden waar hij als kunstenaar mee bezig is. Hij wil de abstracte kunst losmaken van de dogma’s die daar aan kleven. Onvermijdelijk, naar het schijnt. Maar Drissen vermijdt ze wel. Hij theoretiseert niet, hij schildert, vanuit een zintuiglijke ervaring van de wereld om hem heen. Een beeld, een installatie, een schilderij, of zoals hier: een werk op papier, beleef je als iets wat heel dichtbij is. Soms herken je het ruitjespatroon van een tafellaken, een zakdoekmotief, de over elkaar vallende punten papier die de envelop aan de achterkant sluiten. Zijn werk biedt die kans op associatie en zo kun je als kijker de dingen dichtbij halen. Hij roept dat gevoel ook op door zijn manier van schilderen. Zie hoe hij zijn vormen losjes over het doek laat bewegen. Ik wilde het woord “vormen” koppelen aan het bijvoeglijk naamwoord “geometrisch” maar heb dat weer vlug gewist. Op het eerste oog is het misschien wel zo, maar zo beleef ik het niet. Geometrie klinkt te ernstig. Zoals ik deze vormen ook niet als boemerangs wil benoemen, want dan zet ik ze stil, dan haal ik de beweging eruit. Als we eenmaal de dingen benoemd hebben, stoppen het denken en het zoeken. Een grote kwaliteit van Drissen vind ik de uitnodiging die in zijn werk besloten ligt om actief mee te kijken, om te zien hoe een verf, kleur, vormen en compositie een eigen verhaal beginnen te vertellen. Heel langzaam, heel geconcentreerd. De vormen die hij hier schildert zijn kleurvlakken die opgebouwd zijn uit delen. We kunnen elk vlak apart bekijken, we kunnen ze samen zien tot een andere, grotere vorm. En die vormen omhelzen elkaar weer, ze bewegen zich naar elkaar toe en van elkaar af. Ze zijn niet vastgezet in harde, concrete kleuren, dan zouden ze precies op hun plaats gestaan hebben en een structuur benadrukt hebben. Drissen schildert ze als het ware naar elkaar toe, de kleuren onderscheiden zich en zoeken elkaar op. Ingetogen, subtiel, genuanceerd. Niet het grote theoretische verhaal over de wereld, eerder een ontmoeting van kleine vormen die met elkaar aan de haal gaan, die dansen en zwieren over het doek. Ze kunnen alle kanten op, overal om hen heen is nog ruimte. Ze bewegen vrijuit omdat de schilder en de verf de vrijheid scheppen om zich als vorm waar te maken, zonder dat ze iets hoeven te zijn dat wij kennen. Een goed schilderij, daar heb je je handen al vol aan.

© Copyright 2011: Frits de Coninck.



Bij Markus Amm, deelnemer aan Formalismus, en Paul Drissen, Nederlander die sinds jaren op dit (‘formele’) vlak bezig is, is de esthetische houding een consequentie van hun verwerking van de ‘ideeëngeschiedenis van de vormen’ uit de moderne abstracte kunstgeschiedenis. Hierdoor verkrijgen de werken een breekbare sensibele en fragiele intensiteit, die ambivalent en sceptisch staat tegenover het idealisme van vroeger, met name de ‘grote utopie’ van het suprematisme en constructivisme. In zoverre zijn de werken van Amm en Drissen, maar ook bijvoorbeeld Martin Boyce’s veranderingen van klassieke designiconen, niet zozeer postmodern als wel ambivalent. Ze functioneren als dialectische werkconcepten.


Uit: De revival van formele kunst, door Gregor Janssen, MetropolisM, 03-04-2006.Het werk is symbool voor de transformatie van ‘alledaagse’ objecten die een subjectief/sentimenteel maar ook formeel aanknopingspunt zoeken met steeds veranderende en verloren betekenissen van de utopische modernisten en zo een tweede leven opeisen als figurant in een spel dat ‘Kunst’ heet.